Tafeltje Dekje - Herfst
Woensdag 23 september 2026, de astronomische herfst is begonnen. Een laag overkomende groep ganzen in perfecte V-vorm, vliegt sneller dan ik kan fietsen. Vanuit de trein door het Groene Hart zag ik het pas gemaaide gras zich regelrecht strekken naar de horizon. Misschien de laatste snee van dit jaar, maar wie weet? Herfst, de terugkeer van de vormen, aangelicht van opzij. (In menige doorzonwoning zie je nu weer hoeveel stof er rond dwarrelt in de kamer.)
Ook op De Moestuin verschuift de blik en de actie mee met het scherpe uitlichten door de steeds lager zakkende zon. Binnenhalen – oogst – wat nog gebruikt of weggegeven kan worden, opschonen, opruimen, herstellen wat moest blijven liggen, hernemen waar je in het voorjaar werd ingehaald door het seizoen, het weer vooral. Alles ademt nu uit: afronden. Dat is een activiteit die ‘van nature’ geen stress met zich mee kan brengen; alles wat er moet gebeuren ligt glashelder voor de hand en de tijd drukt niet langer zo zwaar – aanloop en hoogtij zijn voorbij. Een cirkel, eenmaal begonnen, sluit zich vanzelf.
Zaterdag 26 september 2026, mijn oog viel op iets wat u, lezer, misschien ook niet wist en waarnaar u niet zou zoeken: vandaag staat er een Oogstmaan. Dat is de volle maan die het dichtst bij het begin van de astronomische herfst staat – nu drie dagen geleden! Er wordt dan ‘s nachts geoogst (graan, maïs, boekweit) bij het maanlicht, in oorsprong om boeren meer tijd te geven. In het geval van boekweit om nog een andere praktische reden: het te oogsten zaad valt te makkelijk uit de rijpe boekweit en de nachtelijke dauw op de planten helpt om dat tegen te gaan. Kleine, oude ecologie. In spirituele tradities is de tijd rond de Oogstmaan het aangewezen moment voor de blik naar binnen en achter de rug, balans opmaken en afronden.
Dinsdag 29 september 2026, het is weer (even?) abnormaal warm en het weinige blad dat bomen nu laten vallen, voegt zich bij wat eerder viel door droogte- en hittestress. ‘Laten vallen’ duidt op een activiteit van de boom; een reageren, door tussen bladsteel en de tak een kurkachtig laagje te maken waardoor het blad vanzelf loslaat. Goed te zien bij windstil weer: plotseling valt een enkel bruin blad loodrecht naar beneden. Dat kan bij ons mensen de indruk wekken alsof hier iets onverschillig wordt afgedankt, maar niets is minder waar; voorafgaand worden de nog bruikbare stoffen uit het blad teruggetrokken in de boom. Onder stress gaat het snel en is het vallend blad bruin, in een gewone herfst, zodra de temperatuur rond de 5 °C komt, gaat het geleidelijk en ontstaat de massale kleurenpracht. Op de tuin overkomt mij een kalme kracht met het besef dat ook in de natuur het binnenhalen en opruimen vooruitloopt op het nieuwe leven, op het verzekeren van de voortgang. Maar wat u zegt, afscheid nemen, kan zij niet.
Strofen
Herfstblad verkleurt. Wordt mooi. Kort voor het valt. Heldere dag die even hunker heelt. En even helder, als het jaar versmalt tot schemeringen, weten wat ons scheelt.
Dat woorden nooit vervangen wat ontbreekt: een onverdeeld er zijn. Dat. Ongedacht. Ook jij gebeurt. (…) ¹ Fragment, C.O. Jellema
Donderdag 1 oktober 2026, er zijn rupsen van de koninginnenpage gespot in de kruidentuin, op de wijnruit. (Zo makkelijk – zo gretig? – zijn we met onze geest alweer in het volgend voorjaar en de zomer, bij die prachtige grote vlinder.) Ze vliegen in twee generaties, lees ik, en in een erg warme zomer is er zelfs kans op een derde generatie in oktober. Wees omzichtig op die plek; het opschonen van de kruidentuin mag niet blind gebeuren! Thuisgekomen pak ik het boek Tekenen van leven van Willem Beekman erbij en lees weer zijn beschrijving van het wonder van de absolute vormverandering van ei naar rups, naar pop, naar vlinder. Zodra het piepkleine rupsje zich groot gegeten heeft en zich niet verder kan ontwikkelen stopt het met eten en begint hij zich te verpoppen door een cocon om zich heen te maken. “Alle uitwendige delen zoals ogen en poten zijn nu verdwenen. Ook van binnen gebeurt er van alles, want alle organen van het dier lossen op en er zit tijdelijk een kleverig soepje in de pop. Daaruit groeit de vlinder (…)” Terwijl de pop muisstil onder een blaadje hangt, “voltrekt zich in het geheim het totale vergaan van het oude leven en het scheppen van het nieuwe leven (…) de oude vorm (rups) lijkt in niets op de nieuwe vorm (vlinder).” ²
Waarom moet ik mijn spontane nieuwsgierigheid naar hoe dat in ’s hemelsnaam in z’n werk kan gaan, bedwingen? Is het ook mogelijk om alleen te luisteren naar de stilte rond de pop, te kijken naar hoe een geheim … vorm … heeft? Er was eens – en het leefde. Onverdeeld er zijn. Dat. Ongedacht. De schrijver probeert het.
Dinsdag 6 oktober 2026, karrevrachten onkruid hebben de Moestuin inmiddels verlaten. In karavanen van kruiwagens lag vooral (harig) knopkruid, oorspronkelijk als kaal knopkruid een inheemse plantensoort uit Zuid-Amerika. Kleine witte bloempjes met een geel hartje. Begin 19de eeuw ontsnapt uit botanische tuinen en verwilderd. Voorkeur voor aardappelakkers. En vrijwel niet meer kwijt te raken! Lees hoe veelzeggend de volkse bijnamen van akkerbouwers, tuinders en tuinierders voor dit onkruid zijn, een kleine selectie: drek, vuil, tuig, het gele-gevaar, schijtkruid, buurmanskwaad, buurmansverdriet, Paepenvuil, Franse-drek, Duits-vuil, Amerikaans-bocht, en ja hoor, hoewel maar op één plek, Jodenkruid. ³ Twee conclusies: onze betrekking tot bepaalde natuur kan de staat aannemen van een diepe smeulende woede, en we willen daar graag iemand de schuld van geven. En ik? Als ik het knopkruid, in het voorbijlopen, massaal zie staan, slaak ik een diepe zucht die ik niet meer tot woede laat worden. De schuldvraag stellen is hier net zo kinderachtig als het misbruiken van dit plantje om anderen dwars te zitten. Maar zodra ik bezig ben het op te ruimen – je trekt het er zo uit – is alle ergernis verdwenen. Het. Onder mijn handen. Daar ben ik.
Donderdag 8 oktober 2026, de herfst dringt meer dan enig ander seizoen aan op bezinning. In dit schrijven kwamen langs: een traditionele praktische ecologie (Oogstmaan) die op meer duidt dan alleen het praktische, een kalme kracht, een onverdeeld er zijn, een driftig willen weten hoe dan? een smeulende woede, en tenslotte bij de dingen zijn om van die opwinding verlost te raken. Dat is de inventaris, nu nog het evenwicht ertussen. Een gedacht evenwicht, dat wel, want er gebeuren ons ook dingen. Vandaag valt de kou in. Vandaag steekt de wind op. Regen op komst, maar welke en hoelang? Houdt het evenwicht? Gelukkig hebben wij elkaar.
¹ Uit: C.O. Jellema, Verzameld werk - Gedichten, p.262, Querido, Amsterdam 2005
² Uit: Willem Beekman, Tekenen van Leven, p,11-12, Christofoor, Zeist 2025
³ Uit: Har Brok, Stinkend-juffertje en duivelskruid, p.39 e.v. Salomé- AUP 2006